De (on)zin van screening: een nadere bespiegeling

In hun bijdrage in Binnenlands Bestuur geven Hans Groot en Zeger van der Wal een interessante reflectie op het fenomeen screening van politiek ambtsdragers. Zij stellen naar mijn mening terecht kritische kanttekeningen over de (beperkt) voorspellende waarde, het gevaar van window dressing en – in mindere mate – het normenkader waarlangs wordt getoetst. Ik voeg daar graag een (kritische) bespiegeling aan toe en beargumenteer ook waarom een ‘screening’ – mits verricht vanuit de juiste insteek – zeker van meerwaarde is.

De auteurs tekenen aan dat het screenen gemeengoed wordt in ons land en dat de integriteit van politieke ambtsdragers weer een belangrijk thema zal zijn bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten. En volgens mij kunnen we gerust stellen dat dit ook geldt voor de aanstaande waterschapsverkiezingen.

Integriteitsincidenten zijn schadelijk voor persoon, partij en politiek. Dat raakt het publieke vertrouwen. Het inzetten van integriteit als politiek wapen is helaas soms realiteit. Dat raakt ook het publieke vertrouwen en maakt het animo om politiek actief te worden vermoedelijk niet groter. Wij – de samenleving – tegen zij, de politici die er een potje van maken. Daar willen wij geen onderdeel van zijn. Maar wij verwachten wel dat zij integer te werk gaan. Want: als politici al niet het goede voorbeeld geven, wie dan wel? Zij vertegenwoordigen ons, zij hebben het overheidsmonopolie, zij werken met ons belastinggeld. Dan moeten zij wel zuiver op de graad zijn.

Tot zover de verwachtingen. De wettelijke eisen die wij stellen aan personen om in het openbaar bestuur gekozen te mogen worden, zijn op dit moment beperkt en scheppen niet of nauwelijks een waarborg ten aanzien van de integriteit van deze personen. Feit is dat iedere crimineel staatsrechtelijk gezien politiek actief kan worden bij voldoende stemmen, tenzij hij of zij is ontzet uit het (passief) kiesrecht. Een optimist kan daarin nog een pure vorm van democratie ontdekken, waarbij alle lagen van de samenleving zich vertegenwoordigd weten in het openbaar bestuur. Maar de gemiddelde burger zal dat vermoedelijk anders zien.

Reden genoeg om maatregelen te treffen, die de integriteit van ons openbaar bestuur bevorderen. Screening van aspirant-politici lijkt op het eerste oog een logisch middel dat daaraan bijdraagt. En ik denk ook dat dit zo is, mits op de juiste wijze ingezet. Waar de schoen naar mijn mening knelt is dat het waarom van een screening nogal eens op twee gedachten lijkt te hinken: is screening nu bedoeld om boeven uit het openbaar bestuur te weren? Of is screening bedoeld om goedwillende politici te helpen om misstappen te voorkomen?

Vele namen zijn ondertussen in omloop: integriteitstoetsing, integriteitsscan, screening, risicoanalyse integriteit. Reeds de eerste drie benamingen maken duidelijk dat een dergelijke ingreep veronderstelt dat integriteit meetbaar is en dat een vorm van screening inzicht oplevert in de vraag of een kandidaat voldoende integer is om in de positie te worden benoemd. Daarbij is natuurlijk van belang wat iemand al of niet op zijn kerfstok heeft. In de praktijk wordt om die reden steeds vaker de Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) ingezet, om te bezien of het gedrag in het verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie. Over de VOG schreef ik al eerder dat hier dusdanige haken en ogen aan zitten, dat de VOG op zichzelf niet zaligmakend kan zijn. Voeg daaraan toe dat iemand met bedenkelijke reputatie volgens de vigerende kaders ‘gewoon’ politiek actief mag worden, dan is de conclusie dat eerst en vooral de wetgever aan zet is om te normeren aan welke eisen een integer politicus moet voldoen. Niet door een leidraad te geven voor een scan op integriteit, maar door de fundamentele vraag te beantwoorden of nadere beperkingen moeten worden gesteld aan toetreding tot het openbaar bestuur.

De toegevoegde waarde van vormen van screening, of liever gezegd: risicoanalyse, voor aspirant-politici zit op dit moment dan ook vooral in het creëren van bewustwording van bestaande spelregels en het vermijden van het ontstaan van een discussie over pakweg belangenverstrengeling, omdat een geoefend oog al bij voorbaat kon zien aankomen dat de aspirant-politicus op dit punt kwetsbaar zou kunnen zijn. Nieuwe politici moeten vanaf dag één snappen welke spelregels er gelden, omdat de realiteit is dat zij anders kunnen uitglijden of struikelen – soms met een beetje hulp. Daarbij geldt ook nog eens dat verschil kan bestaan tussen dat wat juridisch door de beugel kan en dat wat het grote publiek als norm ziet. Als je dat weet, kun je er afspraken over maken.

De risicoanalyse bewijst zich dan ook als een nuttig instrument: niet voor het voorspellen van misstappen, maar toch vooral voor het helpen vermijden van misstappen.

Meer weten? Neem gerust contact op:

Naam: Peter Schokker
Functie: Adviseur/Onderzoeker/Trainer

Peter Schokker

Laat een reactie achter