Nooit te kwader trouw

Onlangs voerde ik samen met een collega een zogenaamd confrontatiegesprek, waarbij we onze betrokkene een aanzienlijke hoeveelheid bevindingen voorlegden. Hieruit kwam naar voren dat de beste man regelmatig een greep uit de kassa deed van de winkel waar hij werkte en het geld tersluiks in zijn zak stopte. Deze handelingen waren ook op film vastgelegd. Terwijl wij hem de beelden toonden, begon de man met zijn hoofd te schudden. Hij sprak steeds vertwijfeld: ‘Ik vind het zelf ook gek, maar ik kan het me niet herinneren.’ Dit wisselde hij af met: ‘Ik heb in ieder geval geen slechte bedoelingen’ en: ‘Echt heel vreemd.’ Hij bleef dit herhalen en in zijn ogen was onbegrip te zien. Aangezien het evident vaststond dat hij geld uit de kassa had verdonkeremaand, waren er twee opties. Of deze man liegt dat hij barst, of hij gelooft zichzelf daadwerkelijk. De eerste optie is de meest voor de hand liggende: het betreft hier een boef die zijn tactiek heeft gekozen, namelijk een gat in zijn geheugen. Toch is het interessant om te onderzoeken of de tweede optie (een daadwerkelijk gat in zijn geheugen) überhaupt tot de mogelijkheden behoort. Dat zou inderdaad ‘echt heel vreemd’ zijn. Of niet?

Volgens onderzoekers die zich bezighouden met ‘behavioral ethics’, doen we dit allemaal. Van de ethiek zijn we gewend dat het om vragen gaat als: ‘wat is het juiste om te doen’, ‘wat is rechtvaardig’ enzovoort. Behavioral ethics heeft net een andere focus. In dit veld gaat het om de vraag: alles goed en wel, maar wat doen we nou werkelijk als we voor een morele keuze staan? Ze schuiven het normatieve terzijde en komen tot de conclusie dat we – wij, mensen – een misperceptie van ons eigen gedrag hebben. We overschatten onszelf wanneer we bedenken wat we bij toekomstige dilemma’s zullen doen. En we overschatten onszelf ook wanneer we terugkijken op wat we hebben gedaan. Dat laatste is bij deze casus interessant.

In het boek Blind Spots leggen Tenbrunsel en Bazerman uit dat bij het uitvoeren van handelingen en het maken van keuzes, naast ons intellect, meer meespeelt. Tenbrunsel en Bazerman noemen het viscerale responsen. In een notendop gaat dit om honger, slaap en angst. Deze responsen komen voort uit diepgewortelde mechanismen die onze overlevingskans vergroten. En die zijn nogal eens dominanter dan het intellect. En als ze overheersen, doen we weleens iets ‘verkeerds’. Wanneer we na de immorele handeling weer meer op afstand komen van die responsen, komen de morele implicaties van de handeling weer in beeld. Wat er dan gebeurt, is niet kies. We worden ineens geconfronteerd met een discrepantie. Namelijk de discrepantie tussen het idee dat we van onszelf hebben als moreel goede mensen en een immorele handeling. Op zijn zachtst gezegd verontrustend. Er zit maar een ding op: het verminderen van de zojuist ontstane dissonantie.

En daar zijn we dus goed in. We zijn in staat om ons zelfbeeld te herstellen door middel van ‘morele terugtrekking’. We kunnen prima in strijd met onze persoonlijke ethische code handelen, terwijl we rustig blijven geloven dat we moreel goede mensen zijn. Ons geheugen is namelijk selectief. We onthouden gedrag dat ons positieve zelfbeeld ondersteunt. Gedrag dat ons zelfbeeld tegenspreekt, vergeten we, of verwerken we niet eens in ons geheugen. Wat ook helpt, is dat we focussen op abstracte principes en niet op de details – niet de bomen, maar het bos. Dat ene leugentje was er wellicht, maar in grote lijnen handelen we heus wel volgens onze eigen ethische code. Ons impliciete doel is blijkbaar niet om een eerlijk en accuraat beeld van onszelf te vormen, maar eerder om een beeld te vormen dat past bij de manier waarop we onszelf graag zien.

Onze betrokkene bleef ook in zijn wederhoorreactie herhalen dat hij in ieder geval niet met slechte bedoelingen had gehandeld, want dat zou hij namelijk nooit doen. Dat is sowieso een treffend voorbeeld van een cirkelredenering, maar dat terzijde. Of onze betrokkene glashard loog of onbewust bezig was met psychologische zelfreiniging, is niet met zekerheid te stellen.

Wat Tenbrunsel en Bazerman laten zien, is dat we een manier hebben gevonden om met onze eigen imperfecties te kunnen leven en onszelf recht in de spiegel aan durven te kijken. Dan rijst de vraag: kan ik dan niets doen tegen deze zelfoverschatting waar ik blijkbaar schuldig aan ben? Tenbrunsel en Bazerman geven toe dat het moeilijk is om die positieve vooroordelen te ontmaskeren. Ze adviseren training en het bespreken van jouw keuzes met vrienden en collega’s. Dat is wel makkelijk praten, ik denk niet dat onze betrokkene het balletje weleens opgooide om van zijn collega’s te horen hoe die eigenlijk tegenover diefstal stonden. Dat zou ik dieveggen ook niet direct aanraden. Wat we wel leren, is dat individuele reflectie op het eigen handelen helaas niet afdoende is. Het is een nobel streven om een moreel mens te willen zijn, maar dit streven verblindt dus blijkbaar ook. We moeten ons dus in ieder geval zeer bewust zijn van onze eigen blindheid.

Meer weten? Neem gerust contact op:

Naam: Myrthe Lenselink
Functie: Adviseur/Onderzoeker
Myrthe Lenselink

Laat een reactie achter